“Is dit de apotheek?”, vraagt de man. Aparte vraag, want we staan er vlak voor

“Ja zeker”, zeg ik, “kijk maar.” Ik wijs naar de letters op de gevel. BENU Apotheek.

“Maar dit is toch niet de apotheek aan de Bredevoortsestraatweg?”
“Jawel hoor”, zeg ik, “we staan bij de apotheek aan de Bredevoortsestraatweg.” Met mijn arm maak ik een breed gebaar om de straat aan te duiden.

“Maar ik moet die ándere apotheek hebben, de apotheek aan de… bij de…” Hij zucht diep en tuurt naar de grond. “Ik weet het niet meer. Ik ben zó vergeetachtig. De Dijkstraat is die kant op, toch? Want daar woon ik.” Hij knikt met zijn hoofd naar rechts. Totaal de verkeerde richting.

“De Dijkstraat ligt aan die kant”, zeg ik voorzichtig terwijl ik naar links wijs. “Zal ik uitleggen hoe u naar de andere apotheek fietst?”

Zo eenvoudig mogelijk beschrijf ik de route

Eerste kruising rechtdoor.
Eerste weg links.
Volgende kruising schuin rechtdoor.
Aan het eind van de weg links.

“Lukt dat?”, vraag ik tegen beter weten in.
“Ik denk het wel. Eerst rechts, toch?”

Dit komt niet goed. “Zal ik even met u meelopen?”
De man strekt zijn rug. Hij lijkt wel tien centimeter langer. “Ja, dát zou fijn zijn.”

We lopen samen verder. Ik op de stoep, hij op de stoep met de fiets in de goot

Ik kijk naar zijn handen. Trouwring en zegelring. De ringen stellen me gerust, op een of andere manier.

“Woont u alleen?”, vraag ik, omdat ik toch een beetje bezorgd ben.
“Nee, samen met mijn vrouw”, antwoordt hij. “Die wordt morgen 73. Ik ben 76. Volgende week krijg ik een test, voor mijn hoofd.” Hij tikt met twee vingers op zijn pet. “Daar zit iets niet goed. Ik ben bang dat ik straks geen auto meer mag rijden.”

Ik knik. Het lijkt me heel verstandig dat het bij fietsen blijft, maar het is niet aan mij om dat te zeggen.

“Mijn vrouw en ik mochten maar één kind krijgen van de dokter”, zegt de man opeens

“Onze zoon heeft heel slimme kinderen. Ze werken bij het gemeentehuis en de politie en in het ziekenhuis. Allemaal een goede baan.”

“Dat is fijn”, antwoord ik, een beetje beduusd van zijn openheid. “En u? Wat deed u vroeger voor werk?”
“Hout zagen. In de fabriek. Ik heb alleen maar lagere school. Zitten blijven, zitten blijven, zitten blijven zei de meester elk jaar tegen mij. Ik kan niet eens lezen.”

Ik knik maar weer. Wat stom dat ik hem zonet wees op het opschrift BENU Apotheek.

“Mijn vrouw heb ik niet verteld van mijn vergeetachtigheid. Dat komt nog wel. Ah kijk! Díe apotheek bedoel ik!”

Zijn ogen lichten op. Ik zie nu pas hoe blauw ze zijn

“En dan fiets ik dadelijk zó naar de Dijkstraat.” Triomfantelijk tekent hij de route in de lucht. Rechtsaf, rechtsaf, links.

Ik knik. Het klopt precies.



14 thoughts on ““Mijn vrouw weet nog van niks”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.